Als ik er niet op let, gaat het wel weg. Die opvlammingen komen en gaan. Hoe erg kan het nou eigenlijk zijn? Toch?
Ik ben pijn gewend. Het is niet nieuw. Die grens ligt hoog, dus wanneer voel ik eigenlijk dat mijn lichaam roept: stop?
Ik wil het niet negeren, maar het is al zo lang zo slecht dat ik niet meer signaleer dát het slecht is. Het is mijn normaal. De constante diarree. De hoeveelheid bloed die ik verlies, elke dag weer. Geen druppels. Niet alleen bij de ontlasting. Naar de wc rennen alsof je een kraan openzet, maar dan rood. Een constante verhoogde hartslag. Geen energie. Buiten adem. Blaasontstekingen. Uitdroging. Hoofdpijn. Duizeligheid. Harde buiken. Angst.
Zo weinig energie.
Maar ik ben vast lui.
Ik moet gewoon vaker gaan sporten. Meer doen. Dan krijg ik meer energie. Minimaal 15.000 stappen per dag. De sportschool. Maar zelfs uitgeput raken van een yin yogales is niet bepaald motiverend.
Maar ik denk dat ik door moet. Ik hou niet van excuusjes.
Thuiskomen van werk – drie dagen per week – en eerst een uur op de grond gaan liggen om bij te komen voordat ik iets anders kan ondernemen.
Wat ongedisciplineerd. Je faalt. Stap op. We gaan (weer) wandelen.
Ik eet gezond. Maar misschien komt het door die ene chocoladereep en dat ene zakje chips om de zoveel tijd. Ik moet het ook gewoon helemaal niet doen.
Ik rook niet, blow niet, drink niet, ga niet uit en slaap elke nacht zeven, acht of negen uur. Maar toch vallen mijn ogen dicht.
Ik word wakker met een ‘kater’ van het leven.
Vaak al moe na het maken van ontbijt.
Motivatieprobleem?
Zoekt op Google: hoe bouw ik meer discipline op? Hoe vind ik meer motivatie?
Misschien komt het door mijn telefoongebruik. Dat maakt mijn hoofd vast moe. Als ik dat weglaat, lost het misschien op.
Maar terwijl ik dingen doe zonder telefoon, ren ik alsnog drie keer per uur met spoed naar de wc.
Opgelucht zijn als ik ongesteld ben, want als ik afveeg, word ik niet geconfronteerd met het feit dat het bloed vandaan komt waar het niet vandaan hoort te komen.
Ik moet het onder ogen zien.
Ik ben ziek.
Chronisch ziek.
Een auto-immuunziekte die mijn leven zwaar maakt. Extra zwaar, omdat ik jarenlang door depressie en psychische problematiek in bed heb gelegen. En nu zoekt het bed mij weer op, alleen deze keer fysiek.
De doorslag gaf mijn nieuwe Fitbit. Je weet wel, dat apparaat dat je hoort te vertellen dat je meer moet bewegen en je stappen moet halen. Dat je hartslag meet, je zuurstofgehalte en je voeding bijhoudt.
Als dat apparaat je na iedere wandeling vertelt dat dit voorlopig wel even genoeg was en dat je moet gaan liggen, wordt het confronterend.
Dat je hartslag in rust ontzettend is gestegen en daar blijft. Dat je die échte rusthartslag overigens alleen nog in je slaap bereikt.
Sterker nog: op dinsdag had ik al 96% van mijn cardiodoel bereikt. Niet omdat ik had gesport, maar omdat mijn hartslag zo hoog was dat mijn Fitbit dacht dat ik de hele dag intensieve workouts had gedaan.
Dat zelfs met acht uur slaap mijn lichaam, door deze chronische ontsteking, een herstelscore van 35 op 100 heeft.
Mijn hart werkt zo hard dat ik op 35% leef.
Het lullige is dat als dit 35% is, ik denk dat ik niet eens weet hoe 100% voelt.
Maar ik vergelijk mijn 35% wel met jouw 100%, en dat voelt mislukt.
Want ik wil zo graag sporten. Yoga doen. Veel wandelen. Sociaal zijn. Lekker uit eten zonder daarvoor te hoeven boeten.
Dus doe ik maar alsof ik ook 100% heb.
Ik leer mensen op Instagram hoe ze voor zichzelf moeten kiezen. Hoe mentale problemen hen uiteindelijk inhalen als ze die niet accepteren.
Terwijl ik zelf niet onder ogen wil zien dat ik echt chronisch ziek ben.
Dat dit niet zo door kan.
Dat elke keer dat ik denk: daar doe ik later wel iets aan, want ik wil nu nog genieten, ik die ontsteking met me meedraag en haar erger en erger laat worden.
De droge, rode, jeukende plekken op mijn huid. De angst. De verhoogde cortisol. Chronische vermoeidheid. Ademtekort.
De afgelopen twee weken waren hel.
Het heeft me ingehaald.
Misschien ben ik niet lui.
Misschien is het geen motivatieprobleem.
Misschien ben ik gewoon streng voor mezelf.
En misschien ben ik eindelijk bereid om toe te geven dat ik ziek ben.
En dat ik het misschien niet helemaal alleen kan.
Al denk ik terwijl ik dit typ nog steeds:
Overdrijf ik?


Geef een reactie