‘Ik ben best moe vandaag, veel invloeden en prikkels, ik ga haar morgen bellen. Zij is ook vast moe, misschien morgen ochtend voor mijn afspraak, dat moet ik vast wel redden. Niet wetende dat dat mijn laatste kans was om haar te vertellen dat ik van haar hou. Die heb ik gemist, de aantal dagen daarvoor ook, via via informatie, slapen, vermoeidheid, operatie en het ging al beter. Elke dag ineens toch weer, iets meer bewegen, haar lichaam kon wat meer dus geen haast. Maar tijd is relatief, ik knipperde twee keer en voor ik het wist was jouw ziel er niet meer. Uit mijn ego stappend ben ik zo blij dat jij niet meer lijdt maar voor mij is het helse pijn en ik weet dat het nog erger gaat zijn, morgen met de auto naar Berlijn en dan trein om jou voor het laatst te zien, deze keer zonder pijn, maar ook zonder ziel, koud, fragiel maar vredig. In deze wereld kende jij geen rust, die kon je niet vinden, die verdiende je wel, maar kreeg je niet, oneerlijk.. dus rust zacht.’
Verlies van een dierbare was altijd een raar concept voor mij.
Ik vond het erg voor mensen, maar kon mij nooit echt verplaatsen — door een gebrek aan eigen ervaring.
Vandaag werd ik beproefd. De dag kwam: een van de meest gevreesde dagen van mijn leven bleek 19 oktober 2025, 22:45 — toen verliet je ons.
Ik weet niet of het besef al echt is ingedaald.
Soms wel — dan huil ik intens.
Andere momenten, als ik met mensen praat, voelt het alsof mijn ziel even mijn lichaam verlaat, en ik me niet meer kan concentreren op wat ik doe.
Soms lach ik even, en in die wereld leef je nog.
Daar zeg ik nog “ik ga naar oma’s huis” of andere dingen die doen alsof jij er nog bent.
En dan komt die gedachte weer terug… mijn maag draait om, en ik besef het gemis opnieuw.
Rouw voelt vreemd.
Ik herken het gevoel, ook al heb ik dit nog nooit meegemaakt.
Het lijkt op iets dat me wél bekend is — depressie.
Een duistere wolk die je volgt, een eeuwige leegte in je hart.
Alsof er een stukje ontbreekt, en elke kleine lach of genietmoment toch overschaduwd wordt door een mist die je zicht vervaagt.
Oma…
Jij was mijn voorbeeld van onvoorwaardelijke liefde.
In de chaos van mijn jeugd was jij mijn stabiliteit.
Als niets oké was, als mijn wereld instortte en ik me verloren voelde, verdrinkend in verdriet — was er altijd een boei op zee.
Iemand bij wie ik altijd terechtkon. Dat was jij.
Altijd welkom, altijd warmte.
Zodra ik opstond, zag ik je blije gezicht en hoorde ik:
“Oooh zobacz Łukaszku, nasza Zuzanka wstała!”
met die enorme lach.
Ik wou dat ik me bewuster was geweest van de laatste keer dat ik die zin hoorde.
Iedereen vond mij “veel”, luid misschien — maar jij accepteerde mij.
Als je mij waste in de rode teil in de keuken, mocht ik de hele keuken nat spetteren met mijn handjes.
Mama zei dat ik moest stoppen — “te veel rommel” — maar oma zei: “Nee, laat haar lekker spelen.”
Door jou is mijn liefde voor koken ontstaan.
Ik wek wekelijks tientallen potten in — mijn hele keuken staat vol met wat ik van jou heb geleerd.
Samen pierogi of kluski maken — het maakte niet uit dat de mijne kapot gingen, uit elkaar vielen of het water troebel maakten.
Je liet nooit merken dat ik het verpest had.
Ik was trots, omdat jij trots was dat ik hielp.
Dan deed ik het goed.
Jij was de enige plek waar ik alles goed deed.
Waar ik kind mocht zijn — onvoorwaardelijk.
Ik vergeet nooit hoe we op het aanrecht zaten, met een klein glaasje, en jij urenlang zonnebloempitjes voor mij pelde,
die je in dat glaasje deed omdat ik ze zo lekker vond.
Dan dronk ik het “shotje”, en jij vulde het weer bij.
Of hoe we Monopoly speelden —
jij was de enige die met mij wilde spelen,
die nooit zei “ik houd niet van spelletjes”.
Urenlang, ook al is dat spel eindeloos met z’n tweeën.
Kaartspelletjes, bijna elke dag.
En je liet nooit merken dat je zag hoe ik vals speelde —
dat ik alle kaarten had omgewisseld toen je even naar de wc ging,
en mijn stapel ineens twee keer zo groot was als de jouwe.
Dat alles deed er niet toe.
Liefde was wat telde.
En ik kan met trots zeggen dat er geen dag is geweest
waarop ik ooit heb getwijfeld aan jouw liefde voor mij.
Ik weet dat je mijn oma was,
maar door het gebrek aan een vader nam jij al heel snel de rol van tweede moeder aan.
Daar zal ik je voor altijd dankbaar voor zijn.
Jij bent — en blijft — heilig voor mij.
Je was niet perfect, maar niemand is dat.
Soms chagrijnig of onredelijk,
een beetje pesten was je ook niet vreemd.
Maar ondanks dat was jouw hart puur, van goud.
Je was geschaad door het leven,
je wist niet goed alles een plekje te geven,
opgesloten tussen een paar muren — dat hoort er eenmaal bij.
Jouw verlies maakte mij bewust van wat echt belangrijk is,
en hoe je na iemands overlijden denkt:
“Had ik maar nog even… of nog een keer…”
Het heeft mij geleerd minder streng te zijn voor mijzelf,
controle los te laten,
en wat meer liefde te geven aan mijzelf.
Wat moet gebeuren, gebeurt —
het universum, God, hoe je het ook wil noemen, bepaalt.
Je leert kijken naar de mooie dingen,
en begrijpt de slechte.
Dus mede door jou vergeef ik oprecht uit mijn hart
iedereen die mij pijn heeft gedaan.
Ik hoef er niks voor terug,
maar ik voel een soort rust.
Iedereen heeft zijn eigen pijn
en probeert, zoveel als hij of zij op dat moment kan,
zijn best te doen.
Dankjewel voor dit besef,
en dit gevoel van vrede,
en dat je dit stukje, dat ooit als vuur van boosheid in mij brandde,
hebt helpen doven.
Ik had je zoveel beter gegund.
Dat je je dromen kon najagen.
Dat je ooit naar Parijs was geweest, waar je zo van droomde.
Blijkbaar kon jij in dit leven geen rust vinden, geen ruimte voor jezelf.
Ik ben op z’n minst blij —
voor zover je dat “blij” kunt noemen — dat je niet meer lijdt.
Ik mis je ontzettend.
Ik had je zo graag nog hier gehad,
gelukkig en pijnvrij.
Ik wou dat ik haar nog één keer kon zeggen
wat voor enorme impact ze op mij heeft achtergelaten.
Tot op de dag van vandaag vertel ik meerdere keren per week over haar —
aan klanten op mijn werk, aan vrienden,
over mijn omatje.
Over hoe we samen kookten,
hoe we paddenstoelen gingen plukken,
de diepe gesprekken die we voerden,
hoe ze voor mij zorgde,
en hoe heerlijk zij altijd kookte.
Ze leeft verder in elk verhaal dat ik vertel,
in elk gerecht dat ik maak,
en in elk warm gevoel dat ik doorgeef aan anderen.
Dus ondanks de helse pijn,
ondanks dat het voelt alsof mijn hart uit mijn borst is gerukt,
gun ik jou deze rust.
Mijn gevoel laat ik even los.
Ik zou uit mijn ego spreken als ik zei:
“Ik wou dat ik je niet kwijt was,”
want je mocht niet in ondraaglijke pijn blijven leven — niet voor mij, niet voor ons.
Ik hoop dat je over mij waakt, als engel.
Ik weet dat ik je nooit echt kwijt zal zijn.
Je keert nu terug naar de plek waar jij de meeste rust vond.
Zodra je in de aarde overgaat, vergaat, en één wordt met de natuur,
kunnen wij je zien, voelen, horen —
in de wind, de bloemen, bomen, het gras en de aarde.
En nu, als ik mezelf grond, met blote voeten op de grond,
dan sta ik ook in contact met jou.
Ik hou van je Babciuniu 🤍




Geef een reactie